Gedeeld geluk

img_0154Liefst wil ik uren kijken

naar jou, de bergen, de zee

De mooiheid van dat moment

gedeeld door twee

Advertenties

Een verhaaltje over niets

Zittend  bij een riviertje in een ruige bergkloof overdenk ik het leven. De zon maakt vlekkerige schaduwen om me heen. Libelles vliegen in de buurt. Ik waad door het koude bergwater naar een mooie bloemenstruik om er één van dichtbij te bekijken. Opeens zitten er 4 gouden Libelles tussen de ook al schitterende blauwe. Een atalantavlinder landt ertussen. Het is bijna niet echt, zo mooi.

Midden in het riviertje is een grote diepe plek waar de zon op schijnt. Opeens weet ik zeker dat ik daar wil zijn. Ik trek kleren uit en laat me verder in het ijskoude water zakken. Het tintelt en even denk ik dat mijn hart stopt. Ik hap naar adem. Maar het went snel. De kou wordt verdreven door mijn eigen warmte en lijkt meer op een koele stroom.

Ik zie nu ook de visjes. Onder me, heel dicht bij. Ze knabbelen niet aan mijn voeten maar schichten er omheen. Ze raken me nooit.

Ik zwem naar de plek. Er ligt onder water een grote steen waar ik op kan zitten. De zon schijnt op mijn hoofd. Ik zit en beleef. Ik luister. Geen vogels. Of toch? Zowaar. Er begint er een te zingen.

Het is koud en warm tegelijk. En erg dicht bij hoe een paradijs zou moeten zijn.

Dan komen er wat kinderen aan en ze vallen gierend in het water en spetteren alles weg. Ze hebben ook plezier. Zo verdelen we het geluk. Ik zoek een plekje in de zon op de oever.

Paris

Hij liep langs de Seine. Zijn Jas doorweekt. Niets kon hem boeien. Stad van de liefde. Het zou wat.
Zo’n stomme werktrip van 2 dagen.
Liever zat hij thuis op de bank naar de interland Djenpeprp tegen peprptotofts te kijken. Biertje erbij, misschien wat twitteren. Gezellig met zijn vrouw.
Onder de brug werd hij aan zijn mouw getrokken, een naar alcohol ruikende viezige man sprak hem aan.
Parlez vous Français? Vroeg de man. Een petit peux, antwoordde hij. Je suis Neerlandais.
Ah, zei de man, praat Nederlands met me! noem me maar Kenny.
Kom, ik laat je alles zien.
Hij wilde zich losrukken en doorlopen, weg bij deze man.
Kenny zei: je lijkt me ontevreden. Ik weet wat voor je.
Samen slenterden ze verder, gingen een trap op en liepen door duistere straatjes.
Opeens duwde Kenny hem naar binnen in een gang. Er hing een rood fluwelen gordijn. En er waren een soort cabines.
Voor hij het wist zat hij in een stoel voor een ruitje waarachter een mevrouw iets niet heel nets met een banaan aan het doen was.
Hij wilde opstaan en weggaan. Hij zag Kenny niet meer. Hij wilde hier niet zijn.
Op dat moment verdween de bananendame en kwam een donkere vrouw binnen. Met scherpe trekken in het gezicht. Oh nee, ook nog een travestiet ….. Toch bleven zijn ogen gericht op de vrouwman.
Ze kleedde zich langzaam uit. Mooie borsten met donkere tepels. Mmm, dat leek toch wel echt. Ze leek hem aan te kijken. Heel doordringend. Toen stond ze stil. En ging het licht uit. Alleen 1 lichtstraal gleed langs haar naakte lijf. Er klonk muziek.
Frank Sinatra. A very good year, http://open.spotify.com/track/06RZFcREjtfjwbrEcYjciA
De muziek paste niet bij het beeld. Maar deed hem duizelen.
De schoonheid van de vrouw, het alleen met zichzelf zijn op een plek die hij niet kende, de onrust die hij voelde.
Hij keek ademloos naar de vrouw die rondjes draaide. Heel zachtjes. Maar hij voelde niet de lust die hierbij hoorde. Hij voelde een soort rust. Alsof al die rare dingen voor een soort kortsluiting hadden gezorgd.
Toen het lied klaar was en alles donker werd glipte hij naar buiten en liep door onbekende straten. In een klein leeg café kreeg hij een glas zware rode Bardolino wijn van de vriendelijke barman die hij niet eens hoefde te betalen. Buiten zag hij de Seine weer. Hij daalde de trap af en liep verder waar hij was. Naar zijn saaie zakenhotel. Voor de deur ontdekte hij dat hij alles kwijt was. Zijn toegangspasje, zijn geld, zijn paspoort. In het hotel wilde men hem niet helpen.

Met een een soort lichte hem onbekende pas liep terug naar de brug en ging eronder liggen op een oude doos. Trok zijn jas om zich heen.
Het was hoe het was.
Morgen zou alles geregeld zijn. En hetzelfde.
Nu was het even anders.
Paris.

Bergen verzet.

Het was een jonge berg. Met grijze puntige kale rotsen die zomaar uit groene bloemenweiden leken te springen.
Ze vond dat raar. Jong gebergte. Hoe relatief is dat. Zelf was ze niet zo piepjong meer. Maar ook geen Himalaya.
Haar doel was eenvoudig. Naar boven. In een dag en weer terug.
Ze had weken getraind op het hoogste duin, vlakbij huis. Op het laatst kon ze zonder draaierig te worden 26 x naar boven.
Ze ging samen met haar vriendin van vroeger . De vrouw was 15 kilo lichter en had het lichaam van een Russische turnster zonder eetstoornis.
Vandaag is de dag.
Het weer speelt mooi weer. De voorspellingen geven een dreigend onweer aan maar de lucht is strakblauw.
Het besluit is snel genomen. Gáán.
De groene weitjes en de zuurstof laten haar stralen. En de hoogte geeft haar een triomfantelijk gevoel. Ze kan alles aan.
De vriendin loopt stevig door. Huppelt bijna. Ze probeer haar eigen adem niet te snel te laten gaan.
Hoe hoger ze komen hoe zwaarder het wordt.
De gesprekken verstommen. De drinkpauzes worden langer.
Boven hen trekken donkere wolken voorbij.
Te donker.
Ze lopen door. Teruggaan lijkt geen optie.
Hou je van je man? Vraagt de vriendin ineens.
Ze antwoordt te snel. Ja natuurlijk.
De vriendin zegt iets en loopt door. Ze verstaat het niet goed. Irritant.
Ze probeert de vriendin in te halen. Die roept iets. “Hij valt op slanke vrouwen.” Dat verstaat ze. Wat bedoelt ze?
Ze struikelt verder. God wat loopt dat mens snel. De lucht wordt pikzwart. “Hij is lekker” zegt de vriendin.
En rent bijna door.
Ze hijgt nu verschrikkelijk maar rent achter haar aan, in haar gedachten bedenkt ze wanneer hij weg was en wat hij zei.
Ze ziet niks meer alleen de gespierde magere kont van de vriendin voor haar. De trut.
Opeens ziet ze de vlag. Met de vriendin er uitdagend naast.
Ze sleept zich erheen. Ze pakt de vriendin bij de arm.
Die pakt een mini flesje champagne uit haar rugzak.
En zoent haar op de wang.
Pfoe. Ik dacht dat je het nooit ging redden dame, zegt ze lachend.
Sorry van net. Kijk om je heen. We did it.
Ze kijkt en voelt opeens de triomf. En ziet de schoonheid. De donkere lucht, de bliksem.
De bliksem.

Meisje met de brede hoed.

Ze stond daar al een tijdje. Te staren naar het schilderij met het meisje met de hoed.
Wat zou ze zo bijzonder vinden aan dat ene schilderij?
Hij keek heen en weer van de aantrekkelijke vrouw voor het schilderij naar de werkelijke afbeelding.
De vrouw op het schilderij was niet opvallend mooi. Haar kleine borsten waren wel te zien door de stof heen. De schouder bloot. 
Die stof. Ja die stof was mooi. Geplooid, echt. 
De kijkende vrouw likte bijna ongemerkt langs haar lippen. 
Hij richtte zijn ogen weer op de afbeelding.
Het lint van de hoed viel mooi in haar hals, als een kleine slang die naar beneden wilde kruipen. Of was het een haarlok die suggereerde dat ze rode krullende haren had?
De vrouw leunde nu op haar andere been. Haar heup wat omhoog. Een zachte zucht ontglipte haar.  
Hij kon nu niet meer niet naar haar kijken. Ze was niet opvallend mooi. Maar ze had geweldige vormen. en een soort eigenaardige spanning om zich heen. Hij werd erg benieuwd naar haar stem. 
Wat kon hij haar vragen. Iets over het schilderij? 
Durfde hij dat? 
Hij ging dicht achter haar staan en keek nog eens naar het schilderij.
Hij voelde haar nu bijna. Hij rook haar. Zacht bloemig. 
Ze ademende wat zwaar. 
“Ik zie je al een tijdje kijken, wat trekt je zo in het schilderij” vroeg hij voorzichtig.
Ze keek hem vluchtig aan. Antwoordde niet. 
Hij hoorde haar slikken.
” Sorry, what did you say?  ” Zei ze met een zwoele stem.
Op dat moment klonk er een stem door de luidspreker. 
“This  is an important message  for Miss van Everdingen, We’re waiting for you at te bus in front of the museum, last call” 
Verschrikt  keek ze waar het geluid vandaan kwam,streek haar blouse glad. “that’s  me” zei ze als een soort verontschuldiging terwijl ze knikte naar de luidspreker en liep snel de ruimte uit. 
Op de grond zag hij iets liggen. Iets paars. Het rook zoet. Een vrucht die hij eerst niet meteen herkende.
Toen pakte hij de pruim op en rende achter haar aan. “Miss!”

https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/SK-A-5005